Je kind komt uit school. De jas hangt nog half over een stoel en de broodtrommel verdwijnt op het aanrecht. Je vraagt hoe het vandaag was. ‘Goed’, klinkt het. Op de vraag of er nog iets leuks is gebeurd, volgt een kort ‘weet ik niet’. Je probeert het nog een keer, bijvoorbeeld door te vragen met wie je kind heeft gespeeld. Maar veel verder kom je niet.
Een uur later zitten jullie samen op de grond met een doos blokken. Terwijl je kind een toren bouwt en jij naar de juiste blokjes zoekt, komt er ineens een verhaal. Over een vriendje dat moest lachen, iets geks wat de meester zei en een ruzietje op het plein. Blijkbaar was er genoeg te vertellen. Waarom lukte dat eerder op de middag dan niet?
Als ouder stel je die vragen niet voor niets. Je bent nieuwsgierig naar de wereld waarin je kind een groot deel van de dag doorbrengt. Met wie speelt je kind? Wat maakt het mee? Waar wordt het blij van? En is er misschien iets waar het mee zit?
Wanneer je steeds ‘weet ik niet’ hoort, kan dat voelen alsof je maar weinig meekrijgt van die wereld. Misschien denk je dat je kind geen zin heeft om te vertellen, of vraag je je af of je niet de juiste vragen stelt. Toch hoeft het verschil niet alleen in de vraag te zitten. Ook de manier waarop jullie samen zijn, kan invloed hebben op hoe gemakkelijk een gesprek ontstaat.
Stel je twee momenten voor. Aan de keukentafel zit je tegenover je kind. Je kijkt het aan en vraagt hoe de dag was. Je kind kijkt terug en weet dat er nu een antwoord wordt verwacht.
Even later zitten jullie naast elkaar op de grond. Je kind bouwt een toren en jij zoekt tussen de blokjes naar een passend stukje. Jullie zijn samen bezig en er hoeft niet meteen iets gezegd te worden. Misschien begint je kind juist op dat moment spontaan te vertellen.
Dat betekent niet dat tegenover elkaar zitten verkeerd is. Sommige kinderen vinden dat juist prettig. Maar voor andere kinderen kan een gesprek gemakkelijker ontstaan wanneer de aandacht niet voortdurend op hen gericht is. Je bent nog steeds samen, je luistert nog steeds en je laat belangstelling zien. Alleen ziet het contact er anders uit.
In onze behandelingen zien we regelmatig hoeveel verschil de situatie kan maken. Een activiteit die aan tafel weinig gesprek oplevert, kan op de grond ineens anders verlopen. Soms komt een kind gemakkelijker los wanneer we naast elkaar zitten in plaats van tegenover elkaar.
Ook onderweg, bijvoorbeeld wanneer we een kind uit de klas ophalen, ontstaan soms spontaan gesprekken. We lopen dezelfde kant op, hoeven elkaar niet voortdurend aan te kijken en het gesprek ontstaat terwijl we iets anders doen. Bij andere kinderen helpt het wanneer zij zelf mogen kiezen wat we gaan doen. De aandacht verschuift naar iets wat hen interesseert en soms komen de verhalen dan vanzelf.
Wij herkennen dit ook bij sommige kinderen met autisme (ASS). Voor hen kan rechtstreeks oogcontact minder prettig zijn of extra aandacht vragen. Samen naar een activiteit of een beeldscherm kijken kan dan een fijnere manier zijn om contact te maken. Dat geldt niet voor ieder kind met autisme en ook niet alleen voor kinderen met autisme. Het gaat erom dat we kijken in welke situatie een kind zich prettig genoeg voelt om iets te delen.
Vanuit de logopedie kijken we niet alleen naar de woorden die een kind gebruikt, maar ook naar hoe een gesprek tot stand komt. Als je vraagt wat er vandaag op school is gebeurd, moet je kind iets uit het geheugen ophalen, kiezen waarover het wil vertellen en daar een verhaal van maken dat jij kunt volgen. Dat vraagt verschillende vaardigheden tegelijk.
Daarnaast vraagt een gesprek om afstemming op de ander. Wanneer je kind een directe vraag krijgt, ligt de beurt om te praten meteen bij je kind. Tijdens het spelen is die verdeling vaak anders. Jullie zijn samen bezig en een opmerking kan ontstaan zonder dat er eerst een vraag gesteld is.
Bovendien kan iets in het spel een herinnering oproepen. Een Legofiguurtje doet denken aan een klasgenoot of een tekening herinnert je kind aan wat er die ochtend gebeurde. Je kind hoeft dan niet uit de hele schooldag één gebeurtenis te kiezen, omdat er al iets concreets is om over te beginnen.
Dat kan verklaren waarom vertellen op het ene moment gemakkelijker gaat dan op het andere. Niet omdat een kind ineens meer te vertellen heeft, maar omdat het gesprek op een andere manier ontstaat.
Misschien vraag je je nu af of je dan maar beter kunt stoppen met vragen stellen. Dat hoeft natuurlijk niet. Je belangstelling is waardevol. Je wilt je kind leren kennen en betrokken blijven bij wat het meemaakt.
Alleen hoeft die belangstelling niet altijd de vorm van een vraag te hebben. Je kunt ook laten merken dat je beschikbaar bent door naast je kind te zitten, mee te doen en te luisteren wanneer er iets wordt verteld. Je hoeft niet van elk antwoord meteen een nieuw gespreksonderwerp te maken.
Er kunnen bovendien verschillende redenen zijn waarom een kind na school weinig vertelt. Misschien is je kind moe, zit het hoofd nog vol indrukken of wil het liever eerst iets anders doen. Ook leeftijd, karakter en gewoontes spelen mee. Soms vindt een kind het daadwerkelijk lastig om gebeurtenissen in woorden om te zetten, maar dat kun je niet uit één kort antwoord afleiden.
Daarom kijken wij liever naar verschillende momenten dan naar één gesprek aan de keukentafel. Wat gebeurt er tijdens het spelen? Hoe praat een kind onderweg? En wanneer lijkt vertellen juist gemakkelijker te gaan?
Kies vandaag eens een moment waarop je niet tegenover je kind gaat zitten, maar ernaast. Bijvoorbeeld tijdens het bouwen, tekenen of samen iets opruimen. Laat je kind bepalen waar jullie mee bezig zijn en probeer het gesprek over school niet zelf te beginnen. Doe gewoon mee en kijk wat er gebeurt.
Vertelt je kind iets? Luister dan en sluit aan bij wat het zegt. Blijft het stil, dan is dat ook goed. Het doel is niet om alsnog het hele verhaal over school te horen, maar om te ontdekken hoe jullie gemakkelijk contact maken.
Misschien blijkt dat je kind graag praat tijdens het spelen, juist onderweg op de fiets of wanneer jullie samen naar iets kijken. Misschien vindt je kind een rustig gesprek aan tafel wel het prettigst. Door daar aandacht voor te hebben, ontdek je niet alleen wat je kind vertelt, maar ook onder welke omstandigheden het vertellen gemakkelijker gaat.
Je wilde weten wat je kind vandaag heeft meegemaakt, maar kreeg eerst alleen ‘weet ik niet’ te horen. Later, terwijl jullie samen iets bouwen, komt ineens dat verhaal over het schoolplein. Niet omdat je nóg een vraag stelde, maar omdat jullie samen bezig waren en er ruimte ontstond om iets te vertellen.
Misschien hoef je dus niet altijd anders te vragen om meer te horen. Soms helpt het om het gesprek even los te laten en er gewoon naast te gaan zitten.
American Speech-Language-Hearing Association (ASHA). Spoken Language Disorders. https://www.asha.org/practice-portal/Clinical-Topics/Spoken-Language-Disorders/
Spencer, T. D., & Petersen, D. B. (2020). Narrative Intervention: Principles to Practice. Language, Speech, and Hearing Services in Schools, 51(4), 1081–1096. https://doi.org/10.1044/2020_LSHSS-20-00015
Jensen de López, K., e.a. (2026). Personal Narrative Assessment to Guide Clinical Practices in the Assessment and Support of Children With Developmental Language Disorder: A Tutorial. Language, Speech, and Hearing Services in Schools. https://doi.org/10.1044/2026_LSHSS-25-00142
Snel & eenvoudig
(± 3 minuten)
Betrouwbaar
Direct inzicht & persoonlijk advies
Onze Logopedie-check helpt je inzicht te krijgen in de ontwikkeling van jouw kind en geeft direct praktische handvatten.
Gratis & vrijblijvend
De Logopedie-check is volledig gratis en zonder verplichtingen.
Voor ouders & verzorgers
Speciaal ontwikkeld voor ouders die willen helpen.
Voor kinderen van 0 t/m 12 jaar
Geschikt voor verschillende leeftijden en fases.
Gebaseerd op logopedische expertise
Ontwikkeld door ervaren logopedisten en specialisten.
Meld je aan voor de laatste tips en adviezen dat je gelijk in de praktijk kunt brengen.